dinsdag 22 juli 2014

Het begin van de terugreis, het zit er (bijna) op…

’s Nachts is het koud in onze tent. Alhoewel we onder twee dekbedden liggen, wordt ik regelmatig wakker van een (erg) koude neus. ’s Ochtends worden we wakker gemaakt door iemand die een emmer warm water komt brengen voor de ‘emmertjes-douche’. Ondertussen ‘snakken’ we naar een echte warme douche, luxedieren als we zijn.

Na het ontbijt rijden we weg van het Pangong meer. Het is nog steeds erg bewolkt, maar als we langs de bergwand, boven het meer rijden, breekt het zonnetje even door. Het meer laat alsnog, op het nippertje, zijn haast caribische kleuren aan ons zien. Prachtig.

Ook verderop is het weer genieten van de mooie vergezichten en van de kleurenschakeringen van de bergen. Je blijft je verbazen, werkelijk waar.



Via het ‘paradijs’ met zijn vele marmotten en andere dieren, beklimmen we wederom de Changla-pas van ca 5300m, als we bijna bovenop zijn, begint het te sneeuwen. Onderweg weer veel motorrijders, petje af voor deze avonturiers. Ook enkele fietsers en hiervoor helemaal respect, ze zullen het vast allemaal vrijwillig doen, maar het is niet zomaar wat om de passen van Ladakh te bedwingen op de fiets.

En dan de vrachtwagenchauffeurs. Nu is het sowieso al hard werken op een vrachtwagen in India (in tegenstelling tot de luxe Nederlandse vrachtwagens), zwaar en moeilijk schakelen, geen stuurbekrachtiging, etc, laat staan verwarmde stoelen. Maar als je dan ook nog regelmatig de Himalaya met zijn hoge passen moet bedwingen… en dan is het zomers nog wel te doen wellicht, maar ook ’s winters, als de passen besneeuwd zijn, gaat het werk gewoon door. Het leger probeert de passen vrij te houden, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen sneeuw ligt en het daardoor (in mijn ogen) levensgevaarlijk is. We zien dat ook met grote regelmaat een vrachtwagen beneden in het dal liggen.

Na de Changla rijden we het groene dal van Serthi binnen, het lijkt hier wel een oase zo mooi. Oude Tibetaanse huizen, een klooster tegen de bergwand ‘geplakt’, allemaal akkers waar groente verbouwd wordt, het woord ‘liefelijk’ lijkt van toepassing.



Vanaf hier is het nog maar een eindje naar Leh, over een prima rechte, geasfalteerde weg. We rijden ‘de beschaving’ weer binnen. Benzinestations, winkels, overal dorpjes, overal kloosters, we zijn weer terug in de bewoonde wereld. We rijden ook langs het Kalachakra-terrein. De overkappingen zijn al opgeruimd en wat over is, is een chaos van afval (matjes) en dan vooral in het buitenlander-vak. Alhoewel wij al onze spulletjes gewoon meegenomen hebben, krijg ik last van plaatsvervangende schaamte. Wat moeten Tenzin en Rigzin wel niet denken als ze dit zien. Het dorp Choglamsar, waar ruim een week geleden nog dagelijks 150.000 mensen doorheen liepen langs allemaal tijdelijk opgezette restaurantjes en winkeltjes, ligt er haast verlaten bij. De laatste tijdelijke bouwsels worden opgeruimd. We kennen het bijna niet meer terug. De georganiseerde Kalachakra-chaos heeft weer plaatsgemaakt voor het normale dagelijkse leven.

Terug in het hotel check ik in de lobby onze mail. Erik leest de krant en al snel wordt ons duidelijk dat er een enorme ramp heeft plaatsgevonden. Een vliegtuig is uit de lucht geschoten, althans daar lijkt het vooralsnog op. Uit de lucht geschoten! Waanzin, wat een tragedie, verschrikkelijk. Wat een verdriet voor zo enorm veel mensen.

Even later komt er een groep Belgen terug van een trekking, ook zij zijn een paar dagen ‘van de wereld’ geweest. Een vrouw uit de groep slaat dezelfde krant open, leest het bericht van het neergeschoten toestel (ze leest een deel zelfs hardop op) en bladert onaangedaan verder. Terwijl ik nog redelijk ontdaan ben van het bericht, lijkt het hun niets te doen. Zoals ons Nederlands nieuws soms gebracht wordt. Als er ergens in de wereld een ramp gebeurd, is het pas erg als er Nederlanders bij betrokken zijn, zo niet, dan valt het allemaal wel mee en besteden we er het liefst geen aandacht aan. Maar misschien ben ik nu te hard in mijn oordeel…

We zijn redelijk op tijd terug in Leh, ergens begin van de middag. Het geeft ons alle tijd om op Changspa road nog wat lekkers te drinken en om nog een rondje langs de Gomang stoepa te doen. Hier zijn we op onze tweede dag in Leh ook geweest en ik wil graag nog even terug, de cirkel rondmaken voor onszelf. Met de slachtoffers van de vliegramp in mijn achterhoofd loop ik rond de stoepa. Wat zal oma nu extra ongerust zijn, zeker nu ook mijn kleine broertje (39 jaar) op vakantie is, hij zit met zijn vriendin aan de andere kant van de wereld, in Amerika. We lopen nog een rondje voor een veilige thuiskomst.  



De nacht is kort. Om vier uur gaat de wekker, we hebben een vroege ochtendvlucht uit Leh naar New Delhi. Tenzin en Rigzin komen ons ophalen. We hebben voor allebei een mooie kaart uitgezocht en daar wat persoonlijks opgeschreven. Met een fooitje erbij, moeilijk, want wat zij ons hebben gegeven de afgelopen tijd is niet in geld uit te drukken. Natuurlijk is het hun werk, maar toch, vooral Tenzin heeft zich enorm bloot gegeven en veel persoonlijke ervaringen en meningen met ons gedeeld. Hij had dit niet hoeven doen. Het heeft onze reis een extra dimensie gegeven, het is meer geworden dan ‘zomaar’ een iets uit een reisgids.
Op de luchthaven geeft Tenzin ons over aan een collega die al in het luchthavengebouw is. Best luxe hoor, zo’n georganiseerde trip, overal staan mensen klaar om iets voor je toen, dat zijn we helemaal niet gewend! Maar we laten het heerlijk over ons heenkomen. Er wordt voor ons ingecheckt en daarna vraagt hij ons even te wachten, hij moet iets ophalen. Gedwee gaan we zitten. Even later komt hij terug met een grote memory-card en een briefje met daarop een naam en een telefoonnummer. Of wij dit mee willen nemen naar Delhi en dit daar overhandigen aan degene die ons daar op komt halen. Even weet ik niet wat te doen, ‘nooit iets voor een ander meenemen aan boord van een vliegtuig’ flitst er door mijn hoofd. Mijn intuïtie zegt echter dat het okay is en ik steek het in mijn tas. De man kijkt me dankbaar aan. Hij mompelt iets over ‘Indian TV’ en ‘news’.


Na een prachtige vlucht over de Himalaya komen we ’s ochtends vroeg aan op de luchthaven van New Delhi. En ook daar staat weer iemand op ons te wachten, geen gezeur met het vinden van een taxi, we kunnen zo instappen. Hij vraagt of we iets meegekregen hebben uit Leh en ik pak de memory-card uit mijn tas. Ook hij kijkt me blij aan en vraagt of we even willen wachten. Hij belt het nummer op het briefje en loopt daarna richting het luchthavengebouw, waarschijnlijk om het daar weer aan iemand af te geven. Wij zijn duidelijk een schakeltje in iets groters, maar wat? Natuurlijk hebben we de memory-card onderweg van de buitenkant goed bekeken en er stond met grote letters ‘INDIA-TV’ op, maar ja, wat dan nog? Als de man terug is, besluiten we het maar te vragen, onze nieuwsgierigheid is te groot ;-). Het blijkt een nieuwsitem te zijn voor inderdaad de Indiase TV. Het wordt waarschijnlijk vanavond nog uitgezonden. Het is voor hun de snelste manier om het in New Delhi te krijgen, ‘gewoon’ aan iemand meegeven die op de vlucht Leh-Delhi zit. We voelen ons even een soort van belangrijk (of we zijn enorm voor de gek gehouden, dat kan natuurlijk ook).

Als we van de luchthaven naar ons hotel rijden, valt ons op hoe groen dit deel van Delhi is. Overal om ons heen  prachtig aangelegde parken. Geen sloppenwijken, geen mensen die op straat leven, het lijkt een moderne stad. Maar ik besef me heel goed dat dat slechts dit deel van de stad is en dat het verderop echt anders uit moet zien.

Delhi is duidelijk een moderne stad, veel moderner dan Calcutta. We zien hier dames in spijkerbroek en ‘aangesloten’ t-shirts, daar waar in Calcutta dezelfde categorie vaak nog in salwar loopt, hooguit een salwartop met een spijkerbroek eronder. Ook de jonge mannen gaan veel moderner gekleed en gedragen zich ook moderner, al weet ik dat laatste niet goed uit te leggen.

Het hotel is erg luxe met veel personeel. Er staat zo’n zes man bij de entree, die elk zo hun eigen taak hebben. De bagage wordt gescand voordat we naar binnen gaan. We krijgen een ontbijt aangeboden in een nagemaakte Parijse brasserie. De kamers zijn groot, de bedden zacht en de warme douche overheerlijk.
’s Middags gaan we met de metro op stap. In Calcutta doen wij voor onze Help2Help markten vaak inkopen bij Sasha, een Indiase fairtrade organisatie. Zij hebben ook een filiaal in New Delhi en ik ben benieuwd of hier andere dingen te koop zijn en hoe de prijzen hier liggen. Het is een half uur met de metro, tot de eerste halte is het ERG DRUK (sardientjes-effekt), maar daarna is het relatief rustig. We stappen bij de juiste halte uit en gaan op zoek naar de winkel. Het is erg warm in Delhi, het is monsoontijd en het zweet druppelt al snel van onze voorhoofden af. Dit waren we niet gewend in het (droge) Ladakh. We vinden de winkel en zien dat deze op maandag gesloten is L. We lopen terug naar de metro en gaan terug naar het hotel. Jammer, maar het is niet anders.


Het is voorbij, ‘s nachts om 1 uur worden we (weer) opgehaald en naar de luchthaven gebracht voor de vlucht naar Amsterdam. Na vier weken geen telefoon, nauwelijks internet en geen kranten, worden we de werkelijkheid terug in gesmeten, vliegramp Oekraine, veel doden in Israel en Palestina, gevechten in Tripoli, je wordt er werkelijk verdrietig van. Wat kan het leven zonder kranten en tv toch fijn zijn…

maandag 21 juli 2014

Zonder tijd, tijdloos, tijdloze tijdloosheid… (19 juli)

De hele ‘vakantie’ heb ik al geen idee welke dag het is en welke datum. Een maand lang weg, dat klinkt lang, dat is lang en dat gevoel heb ik altijd gehad. Toen we er nog maar net waren leek het alsof de vakantie nog jarenlang zou duren en nu we nog maar drie dagen te gaan hebben, heb ik nog steeds datzelfde gevoel. Heerlijk.


Vandaag zitten we de hele dag aan het Pangong meer. Er is hier ‘niets’ te doen, er is alleen het meer, prima, dat is genoeg. Het Pangong meer is zo’n 150 kilometer langgerekt meer, 2/3 ervan ligt in Tibet. Na het ontbijt lijkt het zonnetje een beetje door te komen. Het heeft vannacht weer aardig geregend en gestormd. We lopen langs de oever van het meer en het is zelfs even aangenaam, het jasje kan uit, we genieten van de zon.


We lopen langs de waterkant, zitten op een steen, lezen een boek en staren naar het meer, heerlijk. We kijken hier naar hetzelfde water als waar mensen in Tibet naar kijken. Vreemd en mooi. We staren naar het water, op zoek naar een onderzeeër, want de Indiërs denken/geloven dat de Chinezen onderzeeërs in het meer hebben varen. Wie zal het zeggen. We zien geen naar boven komende pijpjes met nieuwsgierige Chinezen.


Maar hier aan het meer, zo zittend in een flauw zonnetje met af en toe een regendruppel, ervaar ik dezelfde tijdloosheid als de hele vakantie. We zitten hier de hele dag en het maakt niet uit of het 9 uur in de ochtend of 3 uur in de middag is. Het voelt hetzelfde, we genieten. Is dit ‘leven in het nu’? Waar we/ik zo naar streven? Geen idee, maar het is heerlijk.


Het zijn niet de plaatjes uit de reisgidsen die we hier zien. Het is zwaar bewolkt, af en toe een flinke druppel. Het meer toont pas zijn ware glorie bij zonneschijn, dan pas zie je alle groene en blauwe kleurschakeringen die het meer rijk is. Zo ook de bergen erom heen, zoveel kleuren grijs, bruin, geel, oranje, tonen pas hun ware rijkdom in het zonlicht. Tenminste, zo zeggen de reisgidsen. Maar is dat eigenlijk wel zo? Is het nu minder mooi dan? Welnee, het zonlicht kan dan wel dingen tevoorschijn brengen die je nu niet ziet, maar dat doen wolken ook. We genieten nu van kleuren die we niet zouden zien als het zonnetje zou schijnen. En het meer? Is helder, kalm, het kabbelt tegen de rand. De wolken weerschijnen in het water. Er lopen hier genoeg toeristen al mopperend rond, mopperend op de bewolking, wij zitten daar stilletjes aan de rand van het meer, te genieten…


Maar dan gaat het toch flink regenen,  er zitten voor ons echt grenzen aan het genieten in de regen, en we gaan terug naar onze tent. Alsof hij het aanvoelt, komt Nawang vragen of we een bakje thee willen. En zo zitten 'jut en jul' saampjes aan een warm bakkie thee in de voortent J.


Later in de middag doet Erik nog een dutje. Hij heeft meer moeite met de ijle lucht dan ik en hij heeft vannacht slecht geslapen. Alleen loop ik terug naar de waterkant. De regen is gestopt en af en toe piept de zon weer door het wolkendek. Het is er prachtig, ik huppel van steen naar steen, want ook bij mij speelt de ijle lucht parten, na 10 voetstappen voel ik mijn longen ineen krimpen. Wat een mooie stilte, je hoort alleen het kabbelen van het water. Grazende koeien volgen mij. Soms zie ik een mooie steen en ik stop ze in mijn jaszak. Het uitzicht is, alhoewel zwaarbewolkt, schitterend. Het verandert met de seconde, het verveelt nooit. Ook nu ervaar ik weer die tijdloosheid. Waarom is het zo moeilijk om dit gevoel thuis in Nederland te hebben/krijgen? Altijd maar duk, altijd maar bezig met de volgende klus, altijd maar een hoofd vol gedachtes…


Bij een paar grote stenen, leg ik mijn in het afgelopen uur gesprokkelde steentjes neer. Ze horen hier thuis, niet in Schenkeldijk.


In de verte zie ik serieuze regen aankomen, het heeft de hele middag af en toe gespikkeld, maar dat is juist lekker. Maar wat er aankomt ziet er anders uit en ik loop terug naar Erik die net ontwaakt uit zijn schoonheidsslaapje…   


Dan begint het toch te regenen, poehee. Het komt werkelijk met bakken uit de lucht. Wij kijken in onze tent angstvallig naar boven of het toch niet lekt, maar het lijkt goed te gaan. We pakken ons boek erbij en luisteren naar de regen op het tentdoek. Na een paar uurtjes is het enorm opgeklaard, de zon komt weer wat meer tevoorschijn en de uitzichten over het meer worden steeds mooier. We lopen nog een keer naar de waterkant.  Het blijft genieten van de steeds veranderende vergezichten, prachtig.


Regenboog! (Voor de kenners: het teken van Naropa)




Gekkenwerk op weg naar het paradijs (18 juli)

We zijn kapot, gebroken, door elkaar gehusseld de hele dag en de lucht is hier zo ijl dat we allebei naar adem happen. In de ‘receptie’ van ons nieuwe onderkomen ligt een klein meisje aan het zuurstof.
En dan Rigzin, onze chauffeur, hij ziet er enigszins verslagen uit, al blijft hij lachen. Het is ook eigenlijk niet te doen, als we hadden geweten dat het zo’n eind was, hadden we het anders ingedeeld.

Vandaag zijn we van de Nubra vallei naar het Pangong meer gereden. Vanmorgen om 8 uur vertrokken en vanavond om 6 uur waren we er. Dat is al een lange dag in de auto, maar de wegen zijn hier niet zoals thuis. Veel gaten, regelmatig onverhard, stukken weggeslagen, het is maar zelden dat we ongestoord lekker door kunnen rijden. We moesten twee passen over, de Wari La en de Chang La, beide op ongeveer 5300 meter. De eerste ging nog wel, die weg is redelijk, maar de Chang La is een stuk slechter. Je kan niet in slaap dommelen (Rigzin al helemaal niet ;-)), want voor je het weet sla je ongewild een lichaamsdeel (te) hard tegen de auto, zo slecht zijn de wegen hier.

Maar goed, nu genoeg met het geklaag, we zijn bij het Pangong meer! Toen we de eerste glimps opvingen waren we er stil van, wat is het hier prachtig. Omdat het al begin van de avond was toen we aankwamen, hebben we er verder weinig van kunnen genieten, maar we hebben morgen nog een hele dag.



Alhoewel de rit lang en soms hels was, waren de uitzichten wederom schitterend. De wegen zijn soms erg smal, dan moesten we soms een poosje wachten tot het tegemoet komend verkeer door was. Hoe anders was dat eerder bij de Wari La pas. Daar hebben we geloof ik maar drie auto’s gezien, die pas wordt nauwelijks bereden, terwijl het juist zo schitterend is.


Vanmorgen stonden we na een uurtje of twee rijden stil en deze keer leek het erop alsof het wel eens even kon duren. Een minibusje stond pal midden op de weg met pech. Een kapotte bladveer (voor de liefhebbers). Een van de mannen probeerde het geheel te ‘repareren’ met touwtjes. De rest van de mannen keek toe. Twee vrouwen waren in het veld hun koeien aan het hoeden en kwamen ook even kijken. Aan de andere kant stond ook een autootje welk niet verder kon vanwege dit pechgeval. Al met al een gezellige bedoening dus. Ik heb koekjes uitgedeeld aan iedereen, we hebben er heerlijk gewandeld en van het uitzicht genoten. Na een geruime tijd werd het wiel er weer onder gedaan en de auto gestart. We hebben de mensen succes gewenst, want waarschijnlijk houdt zo’n reparatie niet lang op zulke wegen.




Bij een klein riviertje eten we onze meegekregen lunches op. Even de benen strekken, heerlijk.




En verder hebben we niet echt veel stil gestaan. Een bakje thee bovenop de Chang La (waar het zelfs een klein beetje sneeuwde!) en er af en toe heel even uit als de vergunningen gecontroleerd moesten worden (in dit deel van Ladakh heb je speciale permits nodig om er te mogen zijn).






Maar wat is het hier toch mooi. Voor de Wari La en zeker ook na de Chang La is het paradijselijk. Prachtige bergen omsluiten hooggelegen groene natuurlijke weiden. Door de rotsen en keien die daar liggen stroomt een helder water wat rechtstreeks uit de bergen komt. Zo mooi, zo rustgevend, je wordt daar helemaal, maar dan ook helemaal stil van. Af en toe steekt een bergmarmot (dat zijn best flinkerds hoor)  zijn hoofd vanachter een rots. Of hij duikt snel zijn hol in, geschrokken als hij is van het geluid van onze auto. Er grazen yaks, ezels, paarden, (pashmina)geiten. We zien een vos. We horen vogels zingen en het geluid van stromend water. Soms vliegt er een vogeltje voor onze auto uit.


Bij het Pangong meer zitten we in een tent. Ik hoor nu de halve familie al lachen, maar het is natuurlijk wel een deluxe tent J. Twee bedden met heerlijk zachte matrassen en met maar liefst twee dekbedden op elkaar (het is hier best koud op ongeveer 4000m hoogte). Achter in de tent een (westers) toilet en een douche. Er hoort warm water te zijn, maar omdat het zo hard waait, is het warm water ‘kapot’. Het is toch elke keer weer leuk om de smoezen te horen waarom er eigenlijk toch geen warm water is. Ze brengen ons morgenochtend een emmertje warm water, ook prima. In onze tent ligt vloerbedekking, het ligt er los in, het waait zo hard dat de vloerbedekking omhoog komt. In onze voortent ligt zachte ‘grasvloerbedekking’, met twee stoeltjes en een tafeltje. Superdeluxe dus allemaal! En dat allemaal binnen 2 minuten lopen van het meer, goed geregeld Tenzin!




Mensen met een groot hart (17 juli)

Afgelopen nacht ging het flink tekeer, regen, onweer, ‘goed voor de plantjes’ zegt Tenzin vanmorgen bij het ontbijt. Ik heb er eerlijk gezegd niets van meegekregen, ik heb geslapen als een os. Als we wakker worden, regent het nog een klein beetje, maar de vogels hebben alweer het hoogste woord. Het groen ziet er weer heerlijk fris uit, al het stof is weggespoeld. De wolken hangen laag en de bergtoppen zijn hierdoor onzichtbaar.

Ik kan maar niet goed wakker worden vandaag, misschien komt het doordat ik zo vast geslapen heb, misschien is het het regenachtige weer. Tenzin raadt me aan te mediteren zodra ik wakker wordt, maar hij zegt het wel met een glimlach. Vroeger, als klein kind, moest hij, direkt na wakker worden, mediteren van zijn moeder, maar hij viel altijd weer in slaap, gelukkig was hij in een hoek van de kamer gezet. Hij vertelt over de Tibetaanse school. Deze begon om half 7 en van 7 tot 8 uur moesten de kinderen mantra’s reciteren. Maar ook dan viel hij (en hij was waarschijnlijk niet de enige) in slaap. De monnik (de leraar) was erg streng en sloeg de kinderen die in slaap vielen. Hij voelt nog steeds angst als hij aan deze monnik denkt. De monnik heeft zelfs ooit eens een stuk hout gekocht bij de timmerman om de kinderen hiermee te slaan. Maar uiteindelijk hebben de kinderen dit stuk hout gevonden (toen de monnik er niet was) en het weggegooid. ‘Hij was erg gefrustreerd” zei Tenzin “hij had waarschijnlijk last van emoties waar hij geen weg mee wist en reageerde dit af op de kinderen”.

Halverwege de ochtend rijden we naar het Samstaling klooster, hier heel vlakbij. Het hoort bij Sumoor, het buurdorp én het dorp waar onze chauffeur Rigzin vandaan komt en woont. Zijn ouders en verdere familie zijn er echter niet, zij waren in Leh voor de Kalachakra en zijn nog een paar dagen aan het ‘klooster-hoppen’ als ik dat zo oneerbiedig mag zeggen. Jammer, bakje boterthee bij Rigzin thuis had vast leuk geweest.


Het klooster is ongeveer 250 jaar oud en ziet er binnen prachtig uit. Zowel de ‘main hall’ als de ruimte met twee enorme boeddha’s.  Er resideren hier zo’n 40 tot 50 monniken.






Na het kloosterbezoek rijden we nog naar een zandduin, hier niet ver vandaan. Het is kleiner dan bij Hundar, maar zeker niet minder mooi. Het is nog steeds erg bewolkt, af en toe valt er zelfs een druppel. Maar wat is de omgeving toch indrukwekkend, regen of niet, het blijft schitterend. Je hoort hier alleen maar het bulderen van de rivier en het zingen van de vogels. Er zijn een paar kamelen, die hier lekker rondscharrelen. Vlakbij waar we zitten komen er drie aangelopen en beginnen heerlijk aan de boompjes te snoepen. Er is een kleintje bij die heerlijk onbevangen aan het springen is en gekke capriolen uithaalt. Wat een genot om naar te kijken, een kadootje.







Als het dan toch echt serieus gaat regenen, rijden we terug naar huis. Voordat we de auto inspringen, komt de eigenaar/huurder van het restaurantje naar ons toe. We raken aan de praat en hij vraagt waar we vandaan komen. Ik stel hem dezelfde wedervraag en hij blijkt uit Goa te komen. Hij zegt dat hij hier graag is, eigenlijk zou hij hier het liefst het hele jaar willen wonen, maar in de winters is hier geen geld te verdienen, dus moet hij terug naar Goa. Ik grap nog: ‘Dan heb je toch het best van twee werelden? Ladakh in de zomer en Goa is op z’n mooist in de winter’. Maar hij meent het serieus. Hij zegt dat de mensen hier veel vriendelijker zijn dan in Goa en dat hun hart veel groter is, het is hier veel fijner om te leven. Daarom wil hij zo graag hier het hele jaar door blijven. En ik kan hem alleen maar gelijk geven.

De regen wil vanmiddag maar niet ophouden. Elke keer als we denken naar buiten te kunnen, begint het weer opnieuw. Het wordt dus een middagje lanterfanten, boekje lezen, blogje schrijven, foto’s kijken.

ons hotelletje
Om een uur of vijf lijkt het toch even langer droog te blijven en we lopen nog een keer richting het dorpje. Het is hier leuk, we zitten op de hoek van de straat en hoeven alleen maar te kijken om ons te vermaken. Koeien en ezels komen overal vandaan en verdwijnen op dezelfde manier weer via kleine steegjes en straatjes. Mensen maken een praatje en lopen kloksgewijs langs het klooster en draaien aan de gebedsmolens. Bij de grote gebedsmolen op het klooster nemen twee oude mannetjes de laatste roddels door. Vrouwen doen hun (af)was bij de waterpomp. Kinderen spelen verstoppertje. Bij de grote gebedsmolen op het dorp spelen kinderen en probeert de kleinste de molen aan het draaien te krijgen. Vrouwen lopen richting huis met verse groenten uit de tuin.  Winkeliers openen hun winkeltjes en we kopen een pakje koekjes voor morgen in de auto. Gewoon op de hoek van de straat, het is wat we het liefst doen…



bijpraten bij de gebedsmolen

hoeveel handen hebben hier de afgelopen eeuwen de gebeden de wereld ingestuurd?